Neurenberg

Neurenberg
Photo by British Library / Unsplash

Op eens moest ik denken aan Neurenberg. Je weet wel. Er zijn van die dagen dat je wakker wordt en denkt: “Vandaag ga ik mijn leven op orde krijgen. Administratie bijwerken, wasje draaien, democratie redden.” En dan open je het nieuws en blijkt dat Land A heeft besloten dat Land B “eigenlijk historisch gezien” een soort uit de hand gelopen achtertuin is.

Dat “historisch gezien” is altijd een slecht teken. “Historisch gezien” is wat je zegt vlak voordat je iets gaat doen wat nu al niet door de beugel kan. Het is de internationale versie van: “Ik zeg dit niet om ruzie te maken, maar…” — en vervolgens wél ruzie maken, met stoelen en alles.

Land A stuurt tanks, Land B stuurt noodkreten, en de rest van de wereld stuurt verklaringen die zo zorgvuldig geformuleerd zijn dat ze ook als onderzetter kunnen dienen.

En ergens in Land A staat een minister op televisie met de blik van iemand die net ontdekt heeft dat morele verantwoordelijkheid niet in Excel past:
“Dit is geen invasie,” zegt hij. “Dit is een speciale… eh… veiligheidsoperatie.”

Tuurlijk. En mijn oma rookte geen sigaren, ze deed aan “rook-gebaseerde stressregulatie”.

Wat Neurenberg ons na de Tweede Wereldoorlog duidelijk maakte, is iets wat je eigenlijk hoopt dat je nooit meer hoeft uit te leggen aan volwassen mensen met een defensiebegroting: een aanvalsoorlog plannen en voeren is een misdaad.

Niet “jammer”. Niet “complex”. Niet “aan beide kanten zijn fouten gemaakt”.
Neurenberg zette het hard neer: agressie is geen normaal beleidsinstrument, maar het startschot van een kettingreactie aan ellende. Het is de deur openzetten naar alles wat daarna komt—vernietiging, bezetting, deportaties, marteling, executies, verkrachting als wapen, uithongering, massagraven. De agressie is de lucifer; de rest is het huis dat afbrandt.

Het cynische is: agressie wordt vaak verkocht als iets heel redelijks.
“We beschermen onze mensen.”
“We voorkomen erger.”
“We reageren op provocaties.”
“We brengen stabiliteit.”

Stabiliteit. Ja. Zoals een bulldozer stabiliteit brengt in een porseleinkast.

Neurenberg had nog zo’n ongemakkelijke boodschap voor wie graag opgaat in de massa: individuele verantwoordelijkheid.

Niet: “Het was het systeem.”
Niet: “Ik moest wel.”
Niet: “Ik deed mijn werk.”

De kern was: je bént je daden. Een uniform is geen verdwijntruc voor je geweten. En “bevel is bevel” is geen vrijbrief om menselijkheid uit te zetten als een lamp in de gang.

Dat is belangrijk, want invasies hebben altijd personeel nodig: planners, propagandisten, logistiek, ondervragers, bewakers, bestuurders, mensen die stempels zetten alsof het om bouwvergunningen gaat. Oorlogsmisdaden ontstaan zelden uit één grote slechterik met dramatische muziek; meestal uit heel veel kleine beslissingen van mensen die liever niet te lang nadenken.

En precies daarom is die Neurenberg-lijn nog steeds een anker: je kunt niet alles op de leider schuiven, maar je kunt je ook niet achter de leider verstoppen.

Een invasie roept altijd de roep om vergelding op. Logisch. Mensen willen dat het stopt, dat het betaalt, dat het rechtgezet wordt. Maar Neurenberg liet ook iets anders zien: het verschil tussen recht en wraak.

Het idee was niet: “Dat volk is slecht.”
Het idee was: “Deze mensen deden dit. Dit zijn de feiten. Dit is de aanklacht. Dit is het oordeel.”

Dat klinkt saai, en precies dat is de kracht. Rechtsstaat is vaak saai. Het is formulieren, bewijs, procedure, advocaten die dingen zeggen als “ten overvloede” en “in cassatie”. Maar het alternatief is de jungle, en in de jungle wint altijd de sterkste—tot de volgende sterkste langskomt.

Invasies worden meestal gepresenteerd als heroïek. Vlaggen. Muziek. Kaarten met pijlen. Stoere taal over eer en lotsbestemming. Maar kijk eens naar de rekening—en vooral: wie krijgt ‘m op de mat?

  • De soldaat die terugkomt met een lichaam dat niet meer meewerkt en een hoofd dat ’s nachts oorlog blijft spelen.
  • De verpleegkundige in Land B die met twee handschoenen en één zaklamp een trauma-afdeling draait.
  • De arbeider in Land A die merkt dat de lonen bevroren worden “omdat de nationale veiligheid het vraagt”.
  • De kinderen, uiteraard. Altijd de kinderen. Die leren heel vroeg dat volwassenen soms massaal de draad kwijt zijn.

Oorlog is de grootste privatiseringstruc ooit: winsten worden geconcentreerd, schade wordt gesocialiseerd. De gewone mens betaalt met geld, veiligheid, toekomst en gezondheid. En ondertussen noemen leiders het “noodzakelijke offers”, alsof zij zelf ook iets opofferen behalve hun publieke imago.

Neurenberg ging niet alleen over straffen; het ging over een poging tot beschaving: het idee dat macht niet automatisch gelijk heeft. Dat grenzen niet met geweld hertekend mogen worden. Dat er regels zijn, zelfs als het moeilijk is. Juist dan.

En dus, als Land A Land B binnenvalt, zijn er een paar conclusies die niet modieus of hip zijn, maar wel essentieel:

  1. Noem agressie agressie. Eufemismen zijn de smeerolie van misdaad.
  2. Bescherm burgers en documenteer feiten. Zonder bewijs wint de leugen later alsnog.
  3. Richt je op verantwoordelijken, niet op bevolkingen. Recht is precisiewerk.
  4. “Bevel” is geen excuus. In elke keten zit een mens die kan kiezen—al kost het wat.
  5. Vrede is niet alleen stilte van wapens, maar ook herstel van recht. Anders krijg je een pauze, geen vrede.

Een invasie is uiteindelijk een test. Niet alleen voor het aangevallen land, maar voor iedereen eromheen. Want je kunt heel lang doen alsof normen en verdragen decorstukken zijn—tot iemand besluit dat hij het decor in de fik steekt.

En dan blijkt: beschaving is geen vanzelfsprekend bezit. Het is onderhoud. Zoals een dijk. Je merkt pas hoe belangrijk het is als je te laat bent met scheppen.

Dus ja, “nooit meer” klinkt soms als een plechtige zin uit een museum. Maar het is eerder een bordje bij een gevaarlijke bocht:
Hier zijn we eerder uit de weg gevlogen. Gaan we niet meer doen.

Doen we het toch.